Masterproef Master in de economie, het recht en de bedrijfskunde
Zoals goedgekeurd in de POC van 20 oktober 2011 en bekrachtigd door de faculteitsraad van de faculteit economie en bedrijfswetenschappen en door het faculteitsbestuur van de faculteit rechtsgeleerdheid 1
1. Opbouw van de masterproef.
De masterproef ERB telt 30 studiepunten verdeeld over een interdisciplinair seminarie van 6 studiepunten, dat voor de duur van het ganse academiejaar in principe plaatsvindt in de eerste fase van de master ERB, en een interdisciplinaire scriptie van 24 studiepunten, dat voor de duur van het ganse academiejaar in principe plaatsvindt in de tweede fase van de master ERB.
Studenten moeten het interdisciplinair seminarie in ieder geval minstens reeds gevolg hebben vooraleer de interdisciplinaire scriptie te kunnen opnemen in hun studieprogramma (soepele volgtijdelijkheid).
Deze scriptie bestaat uit 2 papers. De eerste omvat 18 studiepunten en de tweede 6. Deze laatste behandelt een thema dat in verband kan worden gebracht met de paper van 18 punten. Het thema dient een sterk juridische nadruk te hebben indien de paper van 18 punten eerder economisch van aard is en een sterk economische nadruk indien deze paper eerder een juridische inslag heeft. Steeds krijgt in de paper van 18 punten minstens de wisselwerking tussen de economische en juridische aspecten van het onderzoek een korte bespreking. De paper van 6 punten werkt één van de aspecten uit deze bespreking verder uit. De paper van 6 studpiepunten verwijst ook uitdrukkelijk naar de paper van 18 studiepunten en de voor eerstgenoemde paper relevante aspecten.
2. Doel van de masterproef.
In de masterproef geeft de student blijk van zijn analytisch en synthetisch vermogen om zelfstandig en op academisch niveau een oplossing te ontwikkelen voor een probleemstelling. Tijdens het proces van de masterproef bereikt de student een aantal vooropgestelde doelen:
- student formuleert de onderzoeksvraag volgens wetenschappelijke standaarden.
- De student werkt een onderzoeksopzet uit en vertaalt de vraagstelling naar methodologische aanpak van logisch opeenvolgende en concrete onderzoeksstappen.
- De student verzamelt, selecteert en synthetiseert informatie en interpreteert de informatie in functie van wat relevant is voor de vraagstelling.
- De student geeft blijk van kritische reflectie over de verzamelde informatie, het uitgevoerde onderzoek en de onderzoeksresultaten en steunt hierbij op een theoretisch onderbouwde argumentatie en een persoonlijk kritische analyse.
- De student kan op academisch niveau schriftelijk en mondeling rapporteren over opzet en resultaten van zijn onderzoek.
Daarenboven wordt van de student verwacht dat hij in het interdisciplinair seminarie ERB
- participeert en aldus de methodologie verwerft van (bedrijfs)economisch en juridisch onderzoek;
- een onderzoeksvoorstel (bestaande uit motivatie, doelstelling en plan van aanpak) uitwerkt en indient.
- in contact treedt met externe partners (bedrijf, overheidsinstantie, financiële instelling, enz.) en gesprekken voert over het geldende thema.
3. Richtlijnen bij het uitwerken van de masterproef.
Rekening houdend met de opbouw van de masterproef ERB (cfr. supra onderdeel 1), mede in functie van vooropgestelde doelstellingen (cfr. supra onderdeel 2) en volgens het hierna geschetst verloop van de masterproef (cfr. infra onderdeel 4) moeten hiernavolgende richtlijnen in acht genomen worden bij het ontwikkelen van de masterproef.
3.a. Academisch niveau.
De masterproef moet de student aanspreken op zijn analytisch en synthetisch vermogen en capaciteit om tot een zelfstandige probleemoplossing op academisch niveau te komen. Het academisch niveau moet ook uit de eindproducten en eindtermen naar voor komen.
3.b. Aansluiting bij vakgebied.
De masterproef moet aansluiten bij het (de) vakgebied(en) van de optie die gevolgd wordt door de student.
3.c. Collectief werk
Collectief werk m.b.t. de paper van 18 punten wordt aangemoedigd. O.a. via mondelinge presentatie worden opportuniteiten ingebouwd om ieders aandeel zichtbaar te maken. De paper van 6 punten blijft individueel.
3.d. Schriftelijke rapportering.
Een schriftelijke rapportering maakt steeds deel uit van de masterproef. Hierin moet het geheel gesitueerd worden in een wetenschappelijke vraagstelling en aandacht worden besteed aan theoretische onderbouwing en kritische reflectie.
3.e. Mondelinge presentatie.
De masterproef wordt afgesloten met een mondelinge presentatie en mondelinge verdediging . In geval van groepswerk mag een groepspresentatie gegeven worden, waarbij elke student zijn eigen inbreng moet toelichten.
4. Verloop van de masterproef
4.a. Collectieve sessies van het interdisciplinair seminarie ERB
Tijdens de eerste fase van de master ERB dienen de studenten de collectieve sessies van het interdisciplinair seminarie te volgen.
4.b. Onderzoeksvoorstel als onderdeel van het interdisciplinair seminarie ERB
Tot slot wordt van de student verwacht een onderzoeksvoorstel van ongeveer 8 blz te schrijven (in te dienen voor de blokperiode), waarin de motivatie door de student uiteengezet wordt, een plan van aanpak, een algemeen kader waarin de problematiek zich voordoet, de literatuur, het belang van de problematiek, de hiaten binnen het bestaand onderzoek, enz.. Het onderzoeksvoorstel omvat minstens volgende onderdelen: Voor de paper van 18 punten (ongeveer 6 blz):
- Motivatie: de student geeft een duidelijke motivatie voor het onderwerp, verwijst overtuigend naar hiaten in de literatuur, de wetenschappelijke en/of praktijkrelevantie.
- Doelstelling: het onderzoeksvoorstel geeft een duidelijk overzicht van de centrale doel- of probleemstelling, de centrale onderzoeksvragen en de beoogde resultaten.
- Plan van aanpak: het voorstel duidt de relevante theoretische kaders en onderzoeksmethoden aan. Het voorstel omvat ook een duidelijk plan van aanpak (stappenplan, milestones).
Voor de paper van 6 punten (ongeveer 2 blz):
- Een korte motivatie, doelstelling en plan van aanpak
De opdracht kan er ook in bestaan om met een bedrijf, een overheidsinstantie, financiële instelling, enz. in contact te treden, en daar informatie te verzamelen die betrekking heeft op het geldende thema.
Twee coördinatoren (één van economie en één van rechten) per optie stellen tegen medio februari onderwerpen voor de paper van 18 punten voor. Na keuze van het onderwerp, en in overleg met de betreffende optiecoördinator (optiecoördinator uit de rechten bij paper met juridische nadruk, optiecoördinator uit FEB bij paper met (bedrijfs)economische nadruk) stellen studenten een onderwerp voor voor de paper van 6 punten.
4.c. Evaluatie van het interdisciplinair seminarie ERB
De student wordt voor het seminarie beoordeeld met een pass/fail-quotering, tegelijk een “non possum”, en dit op basis van i) aanwezigheid en mondelinge medewerking tijdens de contactmomenten, (ii) de schriftelijke uitwerking van het voorstel tot masterscriptie en (iii) de mondelinge presentatie van dit voorstel tijdens de laatste sessie van het seminarie.
De studenten maken na akkoord van de promotor en van de voor de paper van 6 punten begeleidende coördinator van de optie en na de presentatie tijdens het seminarie hun voorstel over aan de masterproefcoördinator.
De evaluatie tijdens de derde examenperiode gebeurt op basis van de schriftelijke uitwerking van het voorstel tot masterscriptie en een examen met betrekking tot de leerstof aangereikt tijdens de verschillende sessies van het seminarie. De student moet slagen op beide onderdelen om voor het seminarie te kunnen slagen. Het resultaat wordt uitgedrukt met een pass/fail.
4.d. Coördinator van het interdisciplinair seminarie ERB, coördinator van de masterproef en optiecoördinatoren.
Er wordt een algemeen coördinator voor het seminarie aangeduid evenals een coördinator voor de meesterproef . Bovendien wordt voor elk van de twee opties een coördinator uit rechten evenals uit FEB aangeduid.
4.e. Samenstelling van de evaluatiecommissie voor de scriptie.
Voor de paper van 18 studiepunten wijst te masterproefcoördinator de onderwerpen toe aan de studenten. De optie coördinatoren verdelen onder elkaar de begeleiding van de paper van 6 punten (zie punt 4.b).
De evaluatiecommissie voor de scriptie bestaat uit een promotor, de relevante optiecoördinator en een voorzitter, waarbij de voorzittersrol bestaat in het “runnen” van de verdediging en het arbitreren bij onenigheid tussen de promotor en coördinator bij het beoordelen van de masterproef. Zowel promotor als coördinator behoren tot het ZAP of het AAP/BAP met doctoraatsopleiding. Bij blijvende onenigheid bij de leden van de evaluatiecommissie over de toekenning van de score zal deze bepaald worden door het gemiddelde van de scores die door de 3 leden voorgesteld worden. De voorzitter geeft een evaluatie met zelfde gewicht als de andere leden op basis van de informatie verkregen tijdens de verdediging. De promotor van de paper van 18 punten neemt nota van de motivatie van de beslissing.
Externen kunnen betrokken worden in het opvolgen en het beoordelen van de masterproef, onder de uitdrukkelijke verantwoordelijkheid van de promotor.
4.f. Omvang van de scriptie.
Dit opleidingsonderdeel omvat het zelfstandig schrijven van een scriptie met twee onderdelen:
De paper van 18 punten neemt de vorm aan van een onderzoekspaper van minimaal 10.000, maximaal 20.000 woorden. De paper van 6 punten is een onderzoekspaper van minimaal 4000, maximaal 8000 woorden. Wanneer een paper voornamelijk juridisch van aard is worden de in de rechtsfaculteit geldende vormregels inzake annotatie en verwijzigingen gebruikt. Wanneer voornamelijk (bedrijfs)economisch van inslag, gelden de vormregels inzake annotatie en verwijzingen gehanteerd aan de faculteit FEB (crr. infra 7.c en 7.d).
4.g. Tussentijdse rapportering.
De student rapporteert op vastgestelde tijdstippen bij zowel de promotor als de begeleidende optiecoördinator.
- Uiterlijk eind november van de tweede studiefase heeft de student een eerste derde van de werklast van zijn masterproef achter de rug.
- Tegen het begin van de paasvakantie van de tweede studiefase heeft de student grotendeels de werklast achter de rug.
4.h. Definitieve versie van de scriptie.
Het inleveren van de scriptie gebeurt ten laaste op de datum bepaald door de faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen (zie belangrijke data voor de exacte datum), zowel in digitale vorm (elektronisch overeenkomstig de instructies van het studentensecretariaat van de faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen) als in analoge vorm (in 3 exemplaren bij het studentensecretariaat van de faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen). Deze versie wordt ook overgemaakt aan de voorzitter van de jury, die tot op dat ogenblik niet betrokken was bij de totstandkoming van de scriptie.
Het studentensecretariaat van de faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen staat in voor de verspreiding naar de leden van de masterproefcommissie.
4.i. Mondelinge verdediging van de masterproef.
In de loop van de maand mei of juni verdedigt de student mondeling (gedurende maximaal 30 minuten) zijn scriptie voor een jury van 3 personen zijnde de promotor, de voor de paper van 6 punten begeleidende optiecoördinator en de voorzitter. Deze juryleden kennen collegiaal één punt toe. Indien een externe partner betrokken is geweest bij de uitvoering van het onderzoek, wordt deze ook uitgenodigd.
4.j. “Praktijkonderzoek” en “Bedrijfsproject” versus masterscriptie.
Ook voor de studenten uit de master ERB is het mogelijk de opleidingsonderdelen “Praktijkonderzoek” of “Bedrijfsproject” op te nemen in hun curriculum. Daarbij geldt dat het projectvoorstel (c.q. voorstel praktijkonderzoek) en het project (c.q. praktijkonderzoek) zelf in ieder geval inhoudelijk verschillend dient te zijn van het onderzoek dat verricht wordt in het kader van de masterscriptie.
5. Evaluatiecriteria.
5.a. Deelcriteria
Een masterproef moet de student aanspreken op zijn analytisch en synthetisch vermogen en vermogen tot zelfstandige probleemoplossing op academisch niveau. Het eindproduct moet kritisch-reflecterend en theoretisch onderbouwd zijn.
Dit wordt vertaald in afzonderlijke deelcriteria in verband met het onderzoeksvoorstel, de resultaten, de presentatie van de resultaten, de attitude en maturiteit van de student en de aanpak.
Deze criteria moeten toelaten het academisch niveau van de masterproef te bewaken, studenten een duidelijk beeld te geven van wat verwacht wordt van een masterproef, de consistentie in beoordeling van masterproeven te versterken en de feedback aan de student waarop zij krachtens wettelijke en reglementaire bepalingen recht op hebben, te structureren.
De criteria worden benut bij de beraadslaging over het eindresultaat en de bepaling van de score. De hiernavolgende beschrijving van deze criteria vormen aldus een leidraad bij de beoordeling van de masterproef.
1. ONDERZOEKSVOORSTEL
| Criterium | Omschrijving |
|---|---|
| Motivatie | De student geeft een duidelijke motivatie voor het onderwerp, verwijst overtuigend naar hiaten in de literatuur, de wetenschappelijke en/of praktijkrelevantie |
| Doelstelling | Het onderzoeksvoorstel geeft een duidelijk overzicht van de centrale doel- of probleemstelling, de centrale onderzoeksvragen en de beoogde resultaten |
| Plan van aanpak | Het voorstel duidt de relevante theoretische kaders en onderzoeksmethoden aan. Het voorstel omvat ook een duidelijk plan van aanpak (stappenplan, milestones) |
2. RESULTATEN
| Criterium | Omschrijving |
|---|---|
| Theoretisch positionering | De ‘state-of-the-art’ in de wetenschappelijke literatuur wordt accuraat weergegeven, met aandacht voor de relevante theorieën en concepten in het betreffende wetenschapsdomein |
| Wetenschappelijke kwaliteit | De onderzoeksmethode laat toe om de onderzoeksvragen accuraat te beantwoorden. De methode is voldoende verifieerbaar, er zijn duidelijke indicaties van validiteit en betrouwbaarheid |
| Kritische reflectie | De resultaten stammen op een robuuste analyse en niet op zuivere speculatie. Er is sprake van kritische, wetenschappelijke reflectie over de resultaten. |
| Maatschappelijke en bedrijfsrelevantie | Bij de interpretatie van de resultaten slaagt de student er in om op een correcte wijze de maatschappelijke en/of bedrijfseconomische relevantie te duiden |
3. PRESENTATIE VAN DE RESULTATEN
| Criterium | Omschrijving |
|---|---|
| Argumentatie | De tekst getuigt van objectiviteit, is gestructureerd en verstaanbaar. De lezer krijgt een goed inzicht in de samenhang tussen onderzoeksvragen, gehanteerde methode en resultaten |
| Format | De tekst is vloeiend en hanteert een correcte taal en stijl. De tekst voldoet aan het format van een wetenschappelijk artikel |
| Mondelinge presentatie | Tijdens de presentatie slaagt de student er in om beknopt de essentie van de resultaten en de wetenschappelijke en/of praktijkrelevantie te duiden |
| Dialoog, discussie | De student antwoordt op een overtuigende wijze tijdens de discussie met de beoordelaars. De student bouwt in zijn argumentatie duidelijk verder op de resultaten van de masterproef. |
4. ATTITUDE EN MOTIVATIE
| Criterium | Omschrijving |
|---|---|
| Analytische vaardigheden | De student is voldoende vertrouwd met de criteria van wetenschappelijk onderzoek en voelt het belang van deze criteria aan. Hij/zij slaagt er in ze toe te passen in het eigen onderzoek |
| Attitude | De student werkt onafhankelijk en met de nodige nauwgezetheid. De student toont een duidelijke motivatie om te leren |
| Samenwerking | De student participeert actief in meetings en houdt zich aan afspraken. Hij/zij speelt in op de feedback van promotor, werkleider en collega-studenten en spant zich in om kennis met anderen te delen. |
5. INTERDISCIPLINAIRE VISIE
| Criterium | Omschrijving |
|---|---|
| Interdisciplinariteit | De student heeft voldoende aandacht voor de interdisciplinaire interpretatie en relevantie van de resultaten. |
5.b. Beoordelingsregels individuele component
De persoonlijke inspanning van de student moet voldoende zwaar doorwegen in de finale score gezien het aandeel en de invloed van de masterproef in de uiteindelijke graad zodat bij de beoordelen de individuele component voor minstens 50 % moet doorwegen (vooraf aan te kondigen door de coördinator).
Peer evaluation mag gebruikt worden maar mag maximaal 10% meetellen. De beoordeling door de medestudent kan een belangrijk element zijn indien gedeeltelijk in groep gewerkt of begeleid wordt, maar mag niet te zwaar doorwegen. Deze component kan ofwel afzonderlijk geëvalueerd worden, ofwel als correctiefactor op de score voor de collectieve paper beschouwd worden.
Wanneer de eindbeoordeling bestaat uit een groepsscore en een individuele score, dan kunnen er zich een aantal scenario’s voordoen, waarbij men zich voor elk scenario moet afvragen of de student voor het geheel slaagt of faalt en wat de student moet herdoen bij herkansing in september. De scenario’s worden geschetst in volgende tabel (kwoteringen zijn telkens op 20).
| Groeps-score | Indiv. Score | Totale Score | Eind-beoordeling | Te herdoen in september | Opmerking |
|---|---|---|---|---|---|
| ≥ 10 | ≥ 10 | ≥ 10 | Geslaagd | nvt | |
| ≥ 10 | < 10 | ≥ 10 | Niet geslaagd | Individuele component | Groepswerk compenseert het tekort in het individuele werk niet |
| ≥ 10 | < 10 | < 10 | Niet geslaagd | ndividuele component | roepswerk compenseert het tekort in het individuele werk niet |
| < 10 | ≥ 10 | ≥ 10 | Geslaagd | nvt | Individueel werk compenseert het tekort in het groepswerk |
| < 10 | ≥ 10 | < 10 | Niet geslaagd | Uitgebreide individuele component | Hoewel geslaagd voor het individueel werk, compenseert dit het tekort in het groepswerk in onvoldoende mate |
| < 10 | < 10 | < 10 | Niet geslaagd | Uitgebreide individuele component |
6. Taal van de masterproef.
De masterscriptie kan, op gemotiveerde vraag van de student, met instemming van de promotor en begeleidende optiecoördinator in een andere taal dan het Nederlands worden geschreven, of eventueel verdedigd, indien dat verantwoord is vanuit de meerwaarde voor de student en de functionaliteit van het gebruik van deze taal voor het thema van de scriptie.
Onvolkomen kennis van het Nederlands kan geen motief zijn om de masterscriptie in een andere taal te schrijven.
7. Overige vormvereisten.
7.a. Vormvereisten scriptie
Voor beide papers volgt de student de hierna beschreven vormvereisten.
7.a.1. Algemene opbouw
- Kaft (met vermelding titels beide papers)
- Titelblad (herhaling van het kaftblad)
- Samenvatting/abstract (halve pagina)
- (In voorkomend geval) Dankwoord
- Inhoudsopgave (met vermelding van de beginpagina per onderdeel)
- (In voorkomend geval) Lijst van afkortingen
- (In voorkomend geval) Lijst van bijlagen
- Tekst van de masterscriptie (inleiding, corpus en besluit)
- Bibliografie
- (In voorkomend geval) Bijlagen (dienen even verzorgd te zijn als de rest van de scriptie)
De opbouw wordt toegepast op beide papers die samen ingebonden worden. Op het einde voegt de student nog een overkoepelend besluit (max. 2 pagina's) toe waarbij de nadruk ligt op het interdisciplinair karakter van de masterproef.
7.a.2. Paginanummering
Punt 1.1 tot 1.3 worden niet genummerd. Punt 1.4 tot 1.7 worden Romeins genummerd. Vanaf de Inleiding (1.8) worden de pagina’s Arabisch genummerd.
7.a.3. Lettertype en regelafstand
De scriptie wordt in een lettertype-grootte van 12 pitch geschreven met een regelafstand van 1,5 (voetnoten in pitch 10, regelafstand 1). De tekst wordt ‘uitgevuld’/‘justified’.
7.b. Omvang.
De tekst van de scriptie (punt 1.8) heeft in de regel een omvang van
- paper 18 punten: minimaal 10.000 tot maximaal 20.000 woorden, voet- en eindnoten inbegrepen.
- paper 6 punten: minimaal 4000 tot maximaal 8000 woorden, voet- en eindnoten inbegrepen.
7.c. Voetnoten en bibliografie.
In de papers met juridische nadruk kiest de student voor de benadering overeenkomstig de regels die gangbaar zijn voor scripties aan de rechtsfaculteit. In papers met (bedrijfs)economische nadruk kiest de student voor de benadering overeenkomstig de regels die gangbaar zijn voor scripties aan de faculteit economie en bedrijfskunde.
7.d. Afkortingen.
Voor een paper met voornamelijk juridische inslag worden de regels van de rechtsfaculteit gevolgd. Een paper met voornamelijk (bedrijfs)economische benadering volgt de regels van de faculteit FEB.
7.e. Schrijfstijl.
Van de studenten wordt verwacht dat ze een behoorlijke schrijfstijl gebruiken met aandacht voor de zinsconstructies en de woordkeuze.
7.f. Spraakkunst, interpunctie en spelling.
De regels van de spraakkunst en de interpunctie worden als verworven beschouwd. Inzake de juiste schrijfwijze van woorden geldt de laatste uitgave van het zogenaamde “groene boekje” (kosteloos online te raadplegen op http://woordenlijst.org).
7.g. Richtlijnen K.U.Leuven ter voorkoming van plagiaat via http://www.kuleuven.be/plagiaat/index.html
[1] (de) economie, (het) recht en (de) bedrijfskunde wordt verder afgekort met ERB.

